“De emotionele kracht van figuren in een landschap illustreerde de poëzie van zijn beeldtaal,” zegt Martin Scorsese, “John Ford drong met The Searchers door tot iets diep in de Amerikaanse psyche”. Curtis Hanson vult aan dat de legendarische Amerikaanse cineast “een Ierse migrant was die de spirit van het land vatte maar ook de duistere kant van Amerika onder de loep nam”. Cinematek in Brussel start vanaf september een cyclus om duidelijk te maken dat Ford, in de woorden van Lindsay Anderson, “een geniaal cineast en een groot man was”. Iemand die de plaatsen die hij koesterde dramatisch in beeld bracht.
“Typisch aan jong zijn is dat je dingen zegt of schrijft die heftig zijn zonder dat je beseft hoe heftig ze zijn,” zegt Fien Troch, “en zeker niet wat de impact ervan kan zijn. Ik wou het privacy element in Home verwerken zonder er een film over te maken en het kwam goed uit dat we het konden gebruiken als een mini-element dat later in het verhoor opduikt.” Of hoe een Vlaamse film actueel, persoonlijk en universeel kan zijn.
Met gestileerde en in de geschiedenis van zijn land gedrenkte drama’s zoals Tony Manero, Post Mortem, No en El Club verwierf de Chileense cineast Pablo Larrain al een stevige arthouse reputatie maar in 2016 brak hij door met twee biopics die geen biopics waren. Twee sterk van elkaar verschillende films die twee nationale iconen portretteerden. De Amerikaanse presidentsvrouw Jacqueline Kennedy in Jackie en de Chileense communistische dichter Pablo Neruda in Neruda.
Na de eigenzinnige studiofilms van de jaren 70 en het Nieuwe Hollywood van Coppola en Scorsese leek de door financiers telegeleide Amerikaanse filmindustrie eind jaren 80 ingedommeld. Tot Hollywood gewekt werd door de ‘Sundance kids’ van de videogeneratie: Steven Soderbergh, Quentin Tarantino, David Fincher, Spike Jonze, David O’ Russell, Todd Haynes, Darren Aronofsky en Paul Thomas Anderson.
In Cinema Paradiso is het altijd feest. Het nimmer eindigende debat over de crisis van de onafhankelijke cinema in het algemeen en auteurcinema in het bijzonder wordt ook de laatste maanden weer vurig gevoerd. Maar is die malaise niet eigen aan kunstenaars die kinderlijke verwondering koesteren en gedreven worden door gezond wantrouwen? En is de ondergrens die bepaalt wanneer kunst een hobby wordt geen verzinsel van vaklui die conformisme verwarren met creativiteit?
De Israëlische scenarist-regisseur Eran Kolirin (° 1973) verwierf in 2007, met dank aan het filmfestival van Cannes, internationale roem met zijn langspeelfilmdebuut, de muzikale dramatische komedie The Band’s Visit (Bikur Ha-Tizmoret). Zijn tweede, het drama The Exchange (Hahithalfut), maakte minder indruk en haalde in België zelfs de zalen niet. Gelukkig slaagde Kolirin erin om, opnieuw dankzij Cannes, een succesvolle comeback te maken met het existentiële drama Beyond the Mountains and Hills (Me’ever Laharim Vehagvaot).
“Bij mijn debuut The Masseur volgde ik mijn intuïtie,” zegt Brillante Mendoza, “maar mijn vrienden en zelfs mijn hoofdactrice vonden het vervelende troep. Toch ben ik mijn hart blijven volgen”. Gelukkig want met negen films in de laatste vijf jaar bewijst de Filipijnse cineast dat de bekroning als Beste Regisseur in Cannes voor Kinatay dikverdiend was. Na de première in Bozar van Lola focust Cinematek in november op het oeuvre van deze omstreden maar getalenteerde erfgenaam van het neorealisme.
Een zondvloed Amerikaanse en Britse Irakfilms overspoelde in 07 de zalen in de VS. Veelal lege zalen. Wat de vraag oproept of cinema wel een oorlog in beeld kàn brengen terwijl het conflict nog woedt.
“De gekte van die tijd sprak me aan” zegt Der Baader Meinhof Komplex-regisseur Uli Edel. “Het interesseerde me om een personage tot leven te brengen dat deel uitmaakt van ons collectief onderbewustzijn, dat doet dromen door zijn erecode” stelt Mesrine-cineast Jean-François Richet. Filmmakers krijgen niet genoeg van cinema over de lotgevallen van terreurgroep RAF en gangster Jacques Mesrine tijdens de jaren 70, de ‘loden tijd’ in Europa. Doodsdrift vormt de rode draad door romantische actiespektakels waar reflectie passeert via amusement. Heel anders dan het ‘tegenbeeld’ dat tijdgenoten zoals Fassbinder voor ogen hadden.
William Friedkin is een merkwaardige figuur: een getalenteerde regisseur die zich met een ‘onmogelijk’ karakter zèlf buitenspel lijkt te hebben gezet in de hedendaagse, wat karakterloze en haast telegeleide, filmindustrie. Net als bij Arthur Penn leverde de overstap van televisie naar film hem in de jaren zeventig commercieel succes op maar verdween hij daarna uit beeld. Maar er was méér: Friedkin werd, net als Sam Peckinpah, uitgespuwd door Hollywood. Verwijten als ‘eigenzinnigheid’ en ‘gewelddadigheid’ werden zo goed als een grafschrift. Friedkin vocht en vecht echter terug: na To Live and Die in L.A. in 1985 is Jade tien jaar later opnieuw een comeback. Een kans die hij ongetwijfeld zèlf wel zal verknallen.