De Amerikaanse cinema blinkt uit in ontluisterende, melancholische verhalen die verankerd zijn in de realiteit maar toch een hoog larger than life-gehalte bezitten. Verhalen die een tijdsgewricht – de jaren 60 (Selma), 70 (Inherent Vice) en 80 (A Most Violent Year,Foxcatcher) – fileren en daarbij racisme, hebzucht en narcisme als maatschappelijke onderstromen blootleggen. Paul Thomas Andersons briljante, geschifte Thomas Pynchon-verfilming is daarbij een buitenbeentje.
Met The Insult (2017) keert de Libanese regisseur Ziad Doueiri terug naar de burgeroorlog die reeds in zijn debuut West-Beirout (1998) centraal stond. Net als The Attack (2012) werd het een omstreden film maar wel een die aangeeft dat kennis en aanvaarding van het verleden cruciaal zijn voor verzoening. Een staaltje provocerende, helende cinema.
Voormalig acteur en Little Children-regisseur Todd Field debuteerde met het bekroonde – de film won in Sundance, actrice Sissy Spacek kreeg een Golden Globe – en in de arthouses succesvolle familiedrama In the Bedroom. Een ingetogen maar verontrustend drama over verlies, verdriet, verwijten, vergelding en verwerking. Subtiel geregisseerd en indrukwekkend vertolkt door Spacek, Tom Wilkinson en Marisa Tomei.
“Films zoals In the heart of the sea worden niet meer gemaakt,” zegt hoofdacteur Cillian Murphy, “een epische avonturenfilm over mentale kracht, vriendschap en loyaliteit”. Ron Howard leverde inderdaad een atypische Hollywoodfilm af. Geen ongeïnspireerde remake of respectloze reboot maar een visueel spektakel dat draait om mensen en ideeën.
‘How I Made A Hundred Movies In Hollywood and never lost a dime’, de titel van Roger Cormans autobiografie klopt niet echt. De koning van de B-films maakte méér dan 100 films en eentje maakte wèl verlies: zijn anti-haat pamflet The Intruder.
“Het verleden is het verleden,” zegt Nelson Mandela in Invictus, “we kijken naar de toekomst”. Clint Eastwood vertelt het waargebeurde verhaal van een pas verkozen president die een door racisme verdeelde natie wil verenigen. De parallel met Obama is duidelijk, al speelt alles zich af anno 1995 toen de jarenlang opgesloten Zuid-Afrikaanse anti-apartheidsleider volgens de bijna 80-jarige cineast “zijn grote wijsheid bewees door sport te gebruiken om het land te verzoenen”.
De opgang van Columbia, begin jaren dertig een kleine studio, was het werk van twee verwante zielen: de verlichte despoot Harry Cohn en de (eerste) zelfverklaarde auteur Frank Capra. Studiobaas Cohn gaf zijn favoriete regisseur, en aanvankelijk enige ster, creatieve ruimte en Capra bedankte door voor commercieel succes (Platinum Blonde), respect (Mr. Deeds goes to town) en waardering (Mr. Smith goes to Washington) te zorgen. Toen Frank Capra uiteindelijk de studio verliet, had Columbia macht en sérieux verworven.
“Ik kan niet van mijn moeder houden en ook niet nièt van haar houden. Er zijn honderden mensen van wie ik meer hou” zegt Hubert, de protagonist van J’ai tué ma mère. Een repliek die de toon zet van een even claustrofobisch als beklemmend coming-of-age relaas waarmee de nog geen 20-jarige regisseur, producent, artistiek leider én protagonist Xavier Dolan ophef maakte tijdens het festival van Cannes in 2009. Van de nevensectie Quinzaine des Réalisateurs zou hij de volgende jaren bliksemsnel evolueren naar de hoofdsecties van het festival. De worsteling met artistieke aspiraties, de zoektocht naar seksuele geaardheid, de wonden geslagen door familiale relaties en de confrontatie met vriendschap en afwijzing zouden de rode draad door zijn oeuvre worden.
Eind jaren dertig begon Alfred Hitchcock naar Hollywood te lonken. Enerzijds omdat hij vond dat hij voldoende professionele ervaring had verworven, anderzijds omdat het Britse misprijzen voor een populaire kunst als film (dat het constant moest afleggen tegen hogere kunsten als literatuur en toneel) hem mateloos bleef ergeren. Hitchcock was toe aan nieuwe uitdagingen én een meer stimulerende creatieve werksfeer. Maar de ‘master of suspense’ leverde nog snel één Britse film af: Jamaica Inn.
De 84-jarige Clint Eastwood heeft een boontje voor muziek. Zo componeerde hij eigen soundtracks en produceerde hij muziekdocumentaires. Muziek, en het levensverhaal van muzikanten, liet hem ook toe om de achterkant van de Amerikaanse Droom in beeld te brengen via ondergangsdrama’s die de depressiejaren (Honkytonk Man) en de teloorgang van een jazzlegende (Bird) tonen. Daarom is Jersey Boys een bizarre maar toch niet zo vreemde productie.