’68 wordt 50. De impact van de mei-revolte op cultuurvlak was groot maar toch zijn er amper films die het verhaal van deze turbulente periode vertellen. Erger nog, veel filmmakers herleiden mei ’68 tot een karikatuur. Het beeld van een mislukte utopie camoufleert samen met nostalgische melancholie de authentieke revolutionaire woede.
Wanneer docente Monika Triest in 2019 terugkeert naar de Verenigde Staten doet ze dat om te onderzoeken of de progressieve verzetsbewegingen waarbij ze vroeger actief betrokken was, nog ‘leven’ in het Trump tijdperk. Gesprekken met vrienden die strijden tegen racisme, uitbuiting en vrouwendiscriminatie leiden tot een boek: ‘Het andere Amerika’. De ondertitel ‘In de schaduw van Trump’ zet de toon: de ‘America First’ politiek van president Donald Trump bepaalt de agenda, progressief Amerika is in het verzet gedrongen. De rijke ervaring en traditie op dat vlak zal activisten echter helpen. Dat hoopt Triest alleszins.
Zeven jaar was Sieg Maandag toen hij samen met 50 andere Nederlandse kinderen bevrijd werd uit het concentratiekamp Bergen-Belsen. Zijn vader overleefde de Holocaust niet maar Sieg vond eerst zijn moeder terug, ontmoette jaren later zijn grote liefde Karen en ontdekte uiteindelijk ook zijn andere grote liefde, het schilderen. Echtgenote Karen Maandag-Ralph schreef samen met Dawn Skorczewski een mooie biografie: ‘Sieg Maandag. Leven en kunst in de schaduw van Bergen-Belsen.’ Een tocht van gruwel naar schoonheid.
Verwarring en illusie vormen zowat de link tussen het imago van Brian De Palma, het medium waarin hij actief is en de films die hij maakt. De Palma is een controversieel cineast die nu eens een goedkoop Hitchcock-imitator werd genoemd (Obsession), dan weer een vrouwenhater (Dressed to Kill), een geweldfreak (Scarface), literatuurverkrachter (The Bonfire of the Vanities), inspiratieloze zelfnabootser (Carlito’s Way) of commercieel gerecupereerde stilist (Snake Eyes).
Filmtitels kunnen bij Alfred Hitchcock alles (Suspicion) of niets (North by Northwest) zeggen. Ze kunnen ook bijdragen tot de verwarring. Met variaties op een thema: Secret Agent (1936), Sabotage (1936, gebaseerd op The Secret Agent van Joseph Conrad !) en Saboteur (1942). Hitchcock had daar zelf weinig problemen mee. Hij schaamde zich evenmin om films te hermaken: zo kreeg zijn Britse film The man who knew too much een gelijknamige Amerikaanse remake en werd The thirty-nine steps omgevormd tot North by Northwest. De basisgegevens en dramatische principes blijven in zijn ogen immers steeds dezelfde, enkel de vormgeving wordt aangepast. Originaliteit is voor Hitchcock van ondergeschikt belang, alles draait om creativiteit.
Alle films van Alfred Hitchcock draaien rond vormen van fysieke en/of geestelijke verlamming. Machteloosheid en angst vergroten steevast de dreiging voor zijn personages. In de twee versies die Hitchcock draaide van The man who knew too much worden de personages getroffen door een morele en emotionele verlamming. In de eerste (Britse) versie (1934) legt Hitchcock vooral het mechanisme bloot, in de tweede (Amerikaanse) versie (1956) toont hij de psychologische geladenheid van het gegeven. Zelf vond Hitchcock de originele versie het werk van een getalenteerd amateur en de remake dat van een professional.
Alfred Hitchcock was voor critici vaak moeilijk te vatten omdat hij een vleesgeworden contradictie bleek te zijn: tegelijk outsider en conformist, tegelijk provocateur en moralist. Iemand die prestatiedrang aan zijn laarzen lapte maar toch behept was van het nuttigheidsprincipe. Een cineast die ongecomplexeerd extreme films maakte – zoals Frenzy of Sabotage – maar even vlot bereid was te ‘bekennen’ aan gesprekspartners als François Truffaut of Peter Bogdanovich dat het floppen van deze films te wijten was aan een eigen ‘fout’. De hautaine auteur veranderde probleemloos in een nederige professional.
Eind jaren dertig begon Alfred Hitchcock naar Hollywood te lonken. Enerzijds omdat hij vond dat hij voldoende professionele ervaring had verworven, anderzijds omdat het Britse misprijzen voor een populaire kunst als film (dat het constant moest afleggen tegen hogere kunsten als literatuur en toneel) hem mateloos bleef ergeren. Hitchcock was toe aan nieuwe uitdagingen én een meer stimulerende creatieve werksfeer.
Alfred Hitchcock debuteerde in Hollywood met een vrij Britse film: Rebecca. En hij maakte meteen kennis met een erg bemoeizieke Amerikaanse producent: David O. Selznick. Resultaat was een berg memo’s (van de producent aan de regisseur), een tumultueuze draaiperiode, een film met thema’s die later nog in het Amerikaanse werk van Hitchcock zouden terugkeren en een verstoorde relatie tussen Selznick en Hitchcock.
Alfred Hitchcock viel na Rebecca in ongenade bij David O. Selznick, maar hij kon meteen aan de slag bij United Artists en R.K.O. Zijn films bleven aanvankelijk vrij Brits: de spionagefilm Foreign Correspondant en de komedie Mr. and Mrs. Smith verschilden weinig van zijn vroeger werk en Suspicion werd door de meester zelf beschouwd als een volbloed Engelse prent. Een aantal belangrijke acteurs waren Britten, de sfeer was Brits, de roman was geschreven door een Brit en bewerkt door het huisteam van Hitchcock (Joan Harrison & Alma Reville).