“De tijd dat ik ingehuurd werd door de studio’s is voorbij,” zegt Walter Hill (°1942), “Hollywood wil geen oude regisseurs”. Tien jaar na zijn laatste bioscoopfilm, het boksdrama Undisputed, en twaalf jaar na het hem uit handen genomen Supernova is Hill terug met de stripverfilming Bullet to the Head.
“Ik hou enorm van fantastische cinema en surrealisme maar ik probeer altijd een schijnbaar realisme aan te houden omdat absurditeit en paradoxen in een realistische context beter tot uiting komen” zegt Marco Bellocchio. In politieke tragedies zoals Enrico IV, Buongiorno, Notte en Vincere laat hij zware thema’s ademen door fantasie in de werkelijkheid te introduceren.
The Blues Brothers, An American Werewolf in London, Trading Places, Into the Night, Spies Like Us en Coming to America. In de jaren 80 was John Landis (°1950) behoorlijk hot maar zijn laatste bioscoopfilm, Blues Brothers 2000, dateert uit 1998. “Ik heb al die jaren niet stilgezeten,” vertelde hij ons tijdens zijn recente BIFFF-doortocht, “maar de dingen voor televisie (The Kronenberg Chronicles) en de documentaires (Mr. Warmth: the Don Rickles Project) die ik maakte hebben jullie in Europa niet gezien”.
Met Burning puurt de Zuid-Koreaanse meester Lee Chang-dong (Oasis, Secret Sunshine, Poetry) uit een mysterieus kortverhaal van de Japanse bestsellerauteur Haruki Murakami (‘Schuurtjes in brand steken’, 1983) een melancholische kroniek van een amoureuze driehoeksrelatie die in het teken staat van een bizarre verdwijning. Het enigmatische, visueel betoverende en emotioneel zinderende Burning transformeert een intrigerende thriller in een existentiële trip tussen realiteit en illusie en kruipt langzaam onder je huid. Om je niet meer los te laten.
Aan het einde van zijn carrière draaiden John Frankenheimers films – docudrama’s zoals Year of the Gun, Against the Wall en The Burning Season – alleen maar mee in het betaaltelevisie- en videocircuit. Na zijn eerste stappen (net zoals Sidney Lumet, Martin Ritt en Robert Mulligan) zette Frankenheimer ook zijn laatste stappen als regisseur voor het kleine scherm.
Eind september won het Belgisch-Nederlandse By the name of Tania de prijs voor Beste internationale film op Raindance, het grootste Britse onafhankelijke filmfestival. Een prestigieuze bekroning voor co-regisseurs Bénédicte Liénard & Mary Jiménez die na hun documentair portret van bewoners van het Peruviaanse regenwoud Sobre las brasas een even poëtische als ontluisterende hybride film maken waarin slachtoffers van seksuele uitbuiting getuigen.
“There’s a little cabin in the sky, Mister For me and for you, I feel that it’s true somehow... ” In 1943 draaide Vincente Minnelli, met de hulp van Busby Berkeley, zijn eerste musical: Cabin in the sky. Er zouden nog talrijke musicals volgen. Van Meet me in St. Louis over An American in Paris tot Brigadoon.
Honderd jaar geleden zorgde de Duitse expressionistische cineast Robert Wiene, mede dankzij Fritz Lang, voor de eerste horrorlangspeler met Das Cabinet des Dr. Caligari. Geweld, gruwel en monsters verlieten de cinema niet meer en leidden tot een specifiek genre: de horrorfilm. Wiene draaide ook nog Orlacs Hände maar Caligari blijft zijn meesterwerk.
“De stijl van een filmmaker vloeit voort uit zijn houding t.o.v. het leven, mensen en het hele universum” wist Otto Preminger (1906-1986). Vorm was een middel en de gepaste vorm vinden voor het geheel bleef de uitdaging. In erg verscheiden films zoals Angel Face, Anatomy of a Murder, The Cardinal en Carmen Jones staat één begrip centraal: mise-en-scène.