Fernando Pessoa: “Het universum is een boek waarin elk van ons een zin is”

nov 10, 2020   //   by Ivo De Kock   //   actueel, boek, nieuws, portret  //  No Comments
Fernando Pessoa

Portugal is méér dan Cristiano Ronaldo. Getuige de sporen van een rijk verleden die overal in het land te zien zijn. Het bekendste culturele exportproduct naast fado is echter een dichter en schrijver: Fernando Pessoa. Reeds tijdens zijn leven was hij een literaire cultfiguur maar zijn meesterwerk ‘Boek der rusteloosheid’ verscheen postuum. Vele jaren later dook Michaël Stoker in Pessoa’s legendarische kist om ‘Kroniek van een leven dat voorbijgaat’ samen te stellen. Een bundeling van teksten door Pessoa geschreven onder verschillende namen, intieme reflecties die inzicht geven in zijn persoonlijkheid en levensvisie. Ze blijken/blijven scherp en relevant, volgens Pessoa “het gevolg van een extreem ontwikkeld dramatisch temperament.”

Rijtje schuiven voor een foto/selfie met een standbeeld? Dat kan in het Portugese Lissabon in de rua Garrett vlakbij het café A Brasileira. Een historisch belangrijke plaats want daar kwamen in de vroege 20ste eeuw Portugese dichters en schrijvers samen om van gedachten te wisselen. Om (soms wat te veel) te drinken én om inspiratie op te doen. Een van hen was Fernando António Nogueira Pessoa (1888-1935), de legendarische, en met zijn hoed en bril iconische, Portugese dichter en schrijver die vanop zijn stoel-met-cafétafel voorbijgangers uitnodigt om even naast hem te verpozen. Het standbeeld is vaste prik voor toeristen, net als Pessoa’s grafsteen die te bewonderen is in het Mosteiro dos Jerónimos (een 16e-eeuws hiëronymietenklooster in de wijk Belém).

Best vreemd wanneer je bedenkt dat zijn bekendste werk, Boek der rusteloosheid, pas decennia na zijn overlijden gepubliceerd werd en het lang een goed bewaard geheim bleef dat Pessoa werkte met heteroniemen, literaire alter ego’s die een eigen schrijfstijl koppelden aan verschillende levensbeschouwelijke opvattingen. Waardoor de auteur van die uiterst diverse teksten niet enkel mysterieus maar ook moeilijk te doorgronden bleef. De bundel Kroniek van een leven dat voorbijgaat, samengesteld en geduid door Pessoa-kenner Michaël Stoker, licht een tip van de sluier en maakt duidelijk dat de dichter niet enkel een begenadigd stilist maar ook een briljant denker was. In al zijn incarnaties. “Ik ben het levende podium waarop verschillende acteurs lopen die verschillende stukken spelen” schreef Pessoa.

“Ik weet niet wat morgen zal brengen”

“Geef me mijn bril,” waren naar verluid de laatste woorden van Fernando Pessoa voor hij op 30 november 1935 in een hospitaal van Lissabon op 47-jarige leeftijd stierf aan de gevolgen van een leveraandoening (veroorzaakt door overmatig drankgebruik). Een variatie op zijn “Geef me nog wat wijn, want het leven is niets” uitspraak die hij tijdens elke maaltijd of bij ieder cafébezoek herhaalde. “I know not what tomorrow will bring,” zijn geschreven famous last words op datum van 29 november,werden na zijn dood gevonden op een onooglijk stukje papier.

Een vodje tussen de 27.543 (korte en lange) manuscripten die Pessoa’s familieleden aantroffen in een ‘arca’, een kist die zich op zijn kamer bevond. Uit die schat aan gedichten, dagboekaantekeningen, columns, aforismen en essays ondertekend met meer dan honderd fictieve namen werd o.m. Boek der rusteloosheid gepuurd. Michaël Stoker gebruikte de inhoud van de kist als bron voor een dissertatie, vertaalde zelf de (grotendeels autobiografische) teksten van Pessoa en bundelde ze gedateerd en onder de naam Pessoa als (naar een column van de dichter verwijzend) Kroniek van een leven dat voorbijgaat.

In zijn nawoord schuwt Stoker het anekdotische niet (Pessoa die bij voorkeur staande aan een hoge ladekast schreef) en gaat hij de door Pessoa zelfverspreide idee van de romantische kunstenaar (eenzaam maar geniaal) niet uit de weg. Hij geeft echter vooral aan dat er bij verschillende edities van Boek der rusteloosheid vaak al te gretig uit de ‘arca’ van Pessoa werd geput “waardoor er dingen binnengeslopen (waren) die daar helemaal niet thuishoren.” Dingen die voor het overgrote deel niet in de Nederlandse editie van zijn bekendste werk werden opgenomen maar volgens Stoker interessant genoeg blijven om ze op te nemen in deze Kroniek van een leven dat voorbijgaat.

“Mijn leven is een immense droom”

Stoker bekent bij Kroniek van een leven dat voorbijgaat een “filologische hoofdzonde binnen de ‘Pessoakunde’” te hebben begaan: het spel met de heteroniemen niet te hebben meegespeeld door alle teksten te hebben toegeschreven aan ‘Pessoa’ en niet aan personages als o.m. Alberto Caeiro, Álvaro de Campos, Bernardo Soares, Antonio Mora of Baron van Teive; de literaire vermommingen (lees: fictieve persoonlijkheden) die de schrijver aannam bij het ontwikkelen van zijn chaotisch oeuvre. Of dit voor de zoon van de Portugese consul in Zuid-Afrika een manier was om een beschermd en gereglementeerd universum te ontvluchten laat Stoker in het midden, hij verkiest Pessoa te zien als een rusteloze ziel die vooral jong van geest wou blijven en laat ons zelf surfend door de teksten zoeken naar verklaring en zingeving.

Een ding valt daarbij meteen op. De link tussen het kinderlijke en creativiteit. “Children are only grown ups with open eyes” schreef Lawrence Durrell aan Henry Miller en die gedachte drenkt Pessoa in saudade, dat typisch Portugese melancholische gevoel van gemis, verlies, weemoed en heimwee. “Waarom ben ik niet altijd kind gebleven?,” verzucht de schrijver-dichter, en “nu heb ik alleen nog maar de werkelijkheid waar ik onmogelijk mee kan spelen… Arme jongen, als banneling levend in zijn mannelijkheid! Waarom moest ik zo nodig opgroeien? Vandaag, nu ik me dit alles herinner, word ik overvallen door een nostalgie naar nog veel meer dingen. Er is in mij veel meer gestorven dan alleen mijn verleden.”

“Volwassen zijn betekent vergeten zijn hoe het was als kind.” Het kinderlijke, speelse, onvolwassene was belangrijk voor een schrijver die “van kleins af aan de behoefte gehad mijn wereld te verrijken met fictieve persoonlijkheden, zorgvuldig door mij geconstrueerde dromen die met een fotografische helderheid voor mijn geestesoog verschenen en door mij tot in het diepst van hun ziel begrepen werden.” Dat leidde tot het gebruik van literaire alter-ego’s. “Ik ben de verzamelplaats van een klein mensdom dat alleen voor mij bestaat,” schrijft Pessoa, “ik besta als een soort medium van mijzelf, maar ik ben minder echt, minder wezenlijk, minder een persoonlijkheid van de figuren die ik creëerde en laat me zeer makkelijk door hen beïnvloeden.”

“De kunst is de meest verheven en subtiele vorm van zinnelijkheid”

Fernando Pessoa had een Hegeliaans trekje. Zijn werk lijkt grillig en zijn stellingnamen vaak willekeurig maar Kroniek van een leven dat voorbijgaat maakt duidelijk dat hij een soort ‘tegendenker’ was, iemand die passioneel een overtuiging kon verdedigen maar evenzeer en even gezwind argumenten voor het tegendeel aandroeg. “Ik heb altijd de schoonheid van de tegenstelling gezien” stelt de auteur die zich “een bijknipper van paradoxen” noemt. Die voorkeur voor paradoxen, voor provocerende uitspraken, voor contradicties, voor twijfel, voor empathie voor de andere kant van het verhaal zat Pessoa in het bloed. Het werken met heteroniemen past perfect bij zijn streven om dit tegendenken een mysterieus aura te bezorgen. Kunst, “de meest verheven en subtiele vorm van zinnelijkheid”, kon in zijn ogen enkel enigmatisch zijn.

Deze artistieke houding, voor Pessoa een levenswijze, leverde briljante oneliners op die in ons collectief geheugen verankerd zijn. Ook al linken we ze niet altijd aan Fernando Pessoa (die ironie zou hem ongetwijfeld plezieren). Getuige: “Literaire kritiek is de opperste artistieke vorm van kwaadsprekerij. Het geniet de voorkeur dat zij rechtvaardig is, maar absoluut noodzakelijk is dat niet.” Of: “Een specialist is iemand die veel weet van één ding en niets weet van alles.” En: “Een cynicus is niets anders dan een gezellige pessimist.” Maar ook: “Een revolutie valt te definiëren als een ‘gewelddadige manier om alles hetzelfde te houden.’”

Pessoa’s werkwijze mag rationeel, doordacht en intellectueel lijken maar eigenlijk gaat de schrijver en dichter erg intuïtief tewerk en laat hij emoties primeren. “Kunst heeft de neiging om gevoelens en gewaarwordingen te willen intellectualiseren,” benadrukt Pessoa, “ik stel voor dat we dat proces eens omdraaien en de intelligentie tot gevoel bekeren.” Zelf voelt hij geen intellectueel verlangen om te schrijven, “slechts een aandrift om emoties over te brengen en de intelligentie zich zo goed mogelijk te laten verhouden tot mijn gevoel.” Hij heeft de indruk dat zijn lichaam bezeten is “door de geest van een dode dichter” en dat hij fungeert als een medium om het werk geschreven te laten worden: “Elke vorm van literair scheppen is uiteindelijk een vorm van ‘écriture automatique’ zoals bedreven door een  medium.”

“Het leven is een eindeloze interpretatie van het leven”

Tegendenker Pessoa stelt nu eens dat het leven een droom is om even later te beweren dat het “een eindeloze interpretatie van het leven” is. Waarbij het geheugen, de verbeelding en de intelligentie drie van deze interpretaties vormen. Het spel met contradicties en vermommingen, met spitse oneliners en enigmatische maskers, is voor Pessoa een manier om te leven en om te scheppen. “De maskers onthullen de werkelijkheid van de zielen,” onderstreept hij, “zolang niemand ziet wie we werkelijk zijn, kunnen we ongehinderd over de meest intieme aspecten van ons leven vertellen.” Of poëzie zien in bierglazen, sigaretten en onbenullige detectiveromans.

Daarom vertoefde Pessoa (die overigens een leven lang zijn vrijheid zo koesterde dat hij consequent energieopslorpende jobs afwees en geld trachtte te verdienen met weinig ambitieuze activiteiten) doodgraag in de cafés in de wijk waar nu zijn standbeeld prijkt. Het liet hem immers toe mensen en dingen te observeren. Om naar het leven te kijken. Want via de wereld wou hij zichzelf vinden. Pessoa’s centrale thema is niet toevallig dat van de man die naar zichzelf zoekt en niet weet wie hij is.

Zijn gedicht ‘Sigarenwinkel’ opent veelzeggend: “Ik ben niets. / Ik zal nooit iets zijn. / Ik kan ook niet iets willen zijn. / Afgezien daarvan koester ik alle dromen van de wereld.” De pathos druipt van deze verzen af maar tegelijk is er een relativerende onderstroom vol humor. Pessoa kan immers grappig zijn, zoals blijkt uit een veelzeggende anekdote: “Er was eens een vrouw die tegen Whistler zei: ‘Ik wandelde gisteren door een landschap dat me erg deed denken aan een van uw schilderijen. ‘Ja, mevrouw,”’ antwoordde de schilder, ‘de Natuur boekt zonder meer vooruitgang’.”

Het blijft bijzonder dat de eerste versie van Pessoa’s Boek der rusteloosheid pas in 1982 werd uitgegeven, 47 jaar na zijn dood, en dat het waarschijnlijk net als de daaropvolgende edities/versies een heel andere versie is dat wat Pessoa zelf gepubliceerd zou hebben. Al hield hij van het concept ‘work in progress’, een steeds levend en evoluerend literair werk. Waardoor de chaos van Kroniek van een leven dat voorbijgaat hem waarschijnlijk wel bevallen zou hebben, al had hij werk nooit zo uitgegeven.

Het romantische idee van het definitieve, allesomvattende meesterwerk fascineerde én irriteerde de Portugees trouwens. Fernando Pessoa flirtte dan wel met arrogantie, in de grond bleef hij altijd bescheiden. “Dit hele universum is een boek waarin elk van ons een zin is,” bleef Pessoa herhalen, “afzonderlijk hebben wij allen slechts een klein beetje betekenis of leveren we hoogstens een deel van de betekenis; alleen uit het geheel wordt duidelijk wat elk van de zinnen wil uitdrukken.”

IVO DE KOCK

(Artikel verschenen bij DeWereldMorgen.be, donderdag 12 november 2020)

Fernando Pessoa, Kroniek van een leven dat voorbijgaat, samensteller Michaël Stoker, Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam, 2020, 352 pag.

“Ik heb altijd geworsteld met een interessant probleem, namelijk het geval van iemand die onder een pseudoniem onsterfelijkheid bereikt, terwijl zijn eigen naam verborgen en onbekend blijft. Strikt gesproken zou die persoon dus niet zichzelf maar een onbekende als de onsterfelijke beschouwen. En dan, wat zegt een naam nu helemaal? zou hij zich afvragen; helemaal niets. Wat dan, zo denk ik bij mijzelf, betekent onsterfelijkheid in de kunst, in de poëzie, in wat dan ook?” Fernando Pessoa – Kroniek van een leven dat voorbijgaat.

Leave a comment