Franse humor: Het burleske toverstokje van La Fée en de wet van de constante beweging

mrt 17, 2016   //   by Ivo De Kock   //   actueel, film, genre, komedie, thema  //  No Comments

Fee 6

Lang, lang geleden kreeg Simon Carmiggelt van de Franse komiek Jacques Tati te horen dat films gelukkig moeten maken: “Een verhaal moet iets hebben van… en Tati houdt zijn hoofd schuin en fluit even, als een vogeltje in het bos”. Dat hebben zijn erfgenamen Dominique Abel, Fiona Gordon en Bruno Romy goed begrepen. Het Belgisch-Canadees-Franse trio van L’Iceberg (2005), Rumba (2008) en nu La Fée (2011) laat zijn publiek telkens weer happy de bioscoop verlaten. Opgewekt en gelukkig, ook al verstrengelt het visuele sprookje dat ze net zagen humor en tragiek. Dat maakt ons vrolijk en daarom hielden we in Groningen en Amsterdam volgende lezing in het kader van het door Ciné Premieres in Nederland georganiseerde Franse Filmfestival. We schrijven 2011.

Een boutade wil dat Amerikanen de film uitvonden maar Fransen de cinema. Juister is dat Frankrijk de cinema blijft heruitvinden. Nu heeft de Franse cinema zijn beperkingen. Franse cineasten slagen er niet in verhalen te vertellen zoals de Amerikanen, drie op vier films handelen over affectieve problemen, Parijs staat al te vaak symbool voor de hele wereld.

Maar de Franse film heeft wèl stijl, charme en kwaliteit. Die kwaliteit ligt in het vermijden van vaste modellen. De beste Franse regisseurs laten hun werk nooit stollen tot een gimmick. Ze beschouwen filmgeschiedenis als een enorme schatkist waaruit men van alles kan gebruiken. Op voorwaarde dat een creatieve persoonlijkheid er een heel eigen draai aan geeft. Zo heeft Polisse veel van een klassieke Franse policier maar omdat Maïwenn vooral geïnteresseerd is in een emotionele waarheid portreteert ze de Parijse jeugdbrigade op hyperkinetische en ultrarealistische wijze.

Fee 4

Roland Barthes zei ooit dat een advertentie van Panzani-deegwaren ‘Italiaansheid’ connoteert via linguïstische en visuele tekens. Met connoteren bedoelde hij dat er behalve de direct informatieve boodschap, de denotatie, ook een tweede, onuitgesproken idee in de afbeelding besloten ligt. Een connotatie die de consument bijna onbewust tot zich neemt. Op dezelfde manier kan men zeggen dat de auteurfilms van Jean Renoir, François Truffaut, Christophe Honoré en François Ozon en kassakrakers zoals Brice de Nice en Le Fabuleux destin d’Amélie Poulain ‘Fransheid’ connoteren zoals rode wijn, stokbrood en de alpinopet.

Het is de exotische sfeer van ‘typisch Franse’ films die Amerikanen zo aanspreekt; voor hen is Franse cinema een toeristische attractie waarvoor ze de grote plas niet hoeven over te steken. Criticus Andrew Sarris vertelde graag een anekdote over Amerikaanse filmstudenten die gek waren op Jean Renoir. Te pas en te onpas spraken ze zijn naam bewonderend uit. Maar wanneer Sarris over concrete films wil praten bleek dat de meesten nog nooit een film van Renoir hadden gezien. Geen Boudu Sauvé des Eaux, La Grande Illusion, La Règle du Jeu of The River.

Daarom is een initiatief zoals Ciné Premières ook zo belangrijk, het geeft een ruimer publiek de kans om interessante en markante Franse films effectief te ontdekken in een bioscoopzaal. Maar tegelijk biedt het ook de mogelijkheid om te wikken en te wegen hoe Frans die Franse films wel zijn. Ook wanneer ze zoals Incendies gemaakt zijn door een Franstalige Canadees en zoals La Fée door een Frans-Belgisch-Canadees trio.

FEE 2

La Fée is geen Amerikaans verhaaltje maar een stijlvolle, charmante en vooral wondermooie burleske komedie. De film maakte in mei indruk op het festival van Cannes. Dominique Abel, Fiona Gordon en Bruno Romy verrasten met een schijnbaar lichtvoetig sprookje over een fee die aan een hotelbediende voorstelt drie wensen te vervullen. De weg naar deze poëtische absurde komedie liep voor de filmmakers langs L’Iceberg en Rumba. Maar ook via de Franse meester Jacques Tati en de zee, zowat het favoriete decor van het drietal.

Hoe kwamen deze drie filmmakers eigenlijk samen? Wel, de Canadese Fiona Gordon en de Belg Dominique Abel ontmoetten elkaar in 1980 in Parijs. Ze volgden cursussen acrobatieën, mime en dans en creëerden samen enkele visuele burleske theaterspektakels. Eerst in Frankrijk, daarna in België. Wanneer ze in de jaren 90 aan kortfilms beginnen botsen ze op de Fransman Bruno Romy. Een man die als clown en theaterregisseur zijn sporen had verdiend. Samen maken ze twee langspeelfilms; in 2005 L’Iceberg en in 2008 Rumba.

In de eerste film is Fiona een ongelukkige huisvrouw die nadat ze opgesloten zat in de diepvries van een fastfoodzaak geobsedeerd raakt door de vrieskou en daarom op zoek gaat naar een ijsberg. In Rumba is ze een danslerares die na een auto-ongeval opgezadeld geraakt met een houten been dat op een bepaald moment nog vuur vat ook. Beide films scoren in het festivalcircuit en bezorgen het trio een stevige reputatie.

Fee 3

De aan Jacques Tati schatplichtige cinema van Abel, Gordon en Romy is niet enkel visueel en fysiek maar ademt ook een soort burleske poëzie uit. Romy zegt het als volgt: “Het burleske, dat is het verlangen toeschouwers te doen lachen met beelden, kaders, lichamen, kleuren, geluiden, decors, met alle instrumenten die de cinema aanreikt. Hoe tragischer de situaties van de helden zijn, hoe meer burlesk materiaal er is”.

Het trio haalt inspiratie bij de regisseur van Mon Oncle en Playtime maar vertrekt ook van het circusachtig theaterwerk van Abel en Gordon. In hun podiumspektakels draaide alles rond hun liefdesverhalen. Die lijn trekken ze door in de films waar ‘Dom’ en ‘Fiona’ steeds wederkerende personages zijn die telkens andere avonturen beleven. L’Iceberg reconstrueert hun breuk en hereniging, Rumba toont hoe ze kampen met tegenslagen en La Fée keert terug naar hun eerste ontmoeting.

Wat we zien zijn variaties op de act van twee clowns. Clowns die nood hebben aan obstakels en die met weinig middelen tot de verbeelding weten te spreken. Deze figuren gaan tekeer als gekooide leeuwen en worden aangetrokken door twee locaties: het café en de zee. Het is geen toeval dat het trio driemaal afsluit met de zee. Een open ruimte die vrije wezens toelaat om te ontsnappen aan het geregelde leven. Terwijl het café, meestal gerund door Bruno Romy, fungeert als een ruimte waar ontmoetingen plaatsvinden en waar er kan gedanst worden.

Fee 1

Reeds in L’Iceberg bleek hoe anders de humor van het trio is. Daar waar veel komieken afhankelijk zijn van situaties, gags en dialogen halen zij hun kracht uit een fysieke aanpak gebaseerd op het observeren van het menselijke lichaam en het uitvergroten van bewegingen. Maar ook op het belichten van imperfectie. Humor is een kwestie van moraal: ze steken de draak met een wereld waar iedereen succesrijk, mooi en foutloos moet zijn.

We zijn allemaal prototypes van onafgewerkte menselijke wezens,” stelt Gordon. Voor cynisme en parodieën met je niet bij het trio zijn. Deze clowns spotten met zichzelf, ze lachen nooit met anderen. De clown is bij hen een state of mind, een manier om naar de wereld te kijken. “Je kan niet beslissen om een burleske film te maken,” zegt Gordon, “het is een roeping”.

De visuele stijl van het trio herinnert zoals gezegd aan Tati. Een statische camera observeert vanop afstand de bewegingen van een lichaam. Daarom doen ze voor L’Iceberg beroep op slapstick en mime en voegen ze er voor Rumba dans aan toe. Wat leidt tot nog sterker gechoreografeerde scènes. Met felle kleuren en nadrukkelijke achtergrondprojecties is Rumba een hypergestileerde, kunstmatige film waar gebaren en lichaamsbewegingen de rol van dialogen overnemen. Het fysieke staat centraal, het woord is secondair. Als het woord er al is, dan is het kort, zoals de titels.

Fee 7

Voor het amour fou sprookje La Fée begon alles met een idee van een fee die drie wensen aanbiedt aan de nachtwaker van een hotel. Met de eerste twee is het meteen prijs: een scooter verschijnt uit het niets en een reuze benzineopslagtank garandeert levenslang rijplezier. Een wereld vol fantasie, mysterie en liefde gaat open voor Dom. Maar sprookjes kunnen wreed zijn en plots verdwijnt de fee. Een obsessieve zoektocht start. Want wat Dom ècht wil is liefde.

Met de Franse haven- en doorgangsstad Le Havre heeft het trio zijn eigen Tatitville te pakken. Een perfecte set voor slapstick actie en een prima microcosmos voor een absurd sprookje waar alles mogelijk is. Le Havre zorgt door zijn kleuren en gebouwen voor een nostalgische sfeer. Maar tegelijk is er op de achtergrond een grauwe realiteit aanwezig. Het lot van de illegalen en het ridicule optreden van de politie zorgt voor een onderliggende kritiek op macht, orde en autoriteit. De fee stelt normaliteit en bezit in vraag, herverdeelt goederen en kansen.

La Fée illustreert hoe via metaforen en humor kritiek kan worden geleverd, maar het is de kritiek van komieken die eerst en vooral mensen willen amuseren. Net als Tati gebruiken ze daarbij vooral hun lichaam. “We zijn fysieke acteurs, verliefd op het observeren van het menselijk lichaam” stelt Abel.

Fee 5

Abel, Gordon en Romy houden vast aan hun eigen universum waar een dromerige retrosfeer het magische toverstokje is dat een wrede realiteit en absurde tragiek verandert in een poëtische, burleske komedie. Een ode aan onvolmaaktheid. “Welke personages we ook verzinnen voor onze films,” benadrukt Romy, “wat ook hun sociaal statuut is, wat ons bij hen interesseert is hun fragiliteit, hun onbekwaamheid, hun onhandigheid”. Kortom, hun menselijkheid.

De clown is kwetsbaar en onvolmaakt maar vindt kracht in zijn marginaliteit. Dom, Fiona en de anderen dagen de wetten van de zwaartekracht, de logica en de maatschappelijke orde uit. Ze ontmoeten, ontdekken en helpen elkaar terwijl ze achtervolgd worden door ordehandhavers of verplegers. Maar vooral, ze toveren een lach op ons gelaat. En maken emoties tastbaar. La Fée bewijst dat populaire cinema ook superieure cinema kan zijn.

In het programmaboekje citeer ik Tati die aan Simon Carmiggelt vertelde dat films gelukkig moeten maken, er voor zorgen dat je fluitend de zaal verlaat. Wel, dat doen de makers van La Fée. Zij toveren een glimlach op ons gelaat door ons te laten kijken naar lichamen die constant in beweging zijn, naar situaties die even grappig als bizar zijn.

In het begin van La Fée volgt de camera een snel fietsende Dominique Abel. Hij domineert het beeld én de achtergrond. Hij domineert omdat hij centraal in beeld staat maar vooral ook omdat hij hectisch fietst. Hij beweegt alsof zijn leven ervan afhangt. Het plastieken zakje op zijn hoofd en zijn klederen wapperen extatisch in de wind. Het beeld is een ode aan de beweging. Dom fietst langs de kade. Nog even en hij valt erin, denk je als kijker.

Fee 8

Dat soort spelletjes speelt het trio Abel, Gordon, Romy graag. Aan het eind van de film heb je nog zo’n hilarische scène. Dom en Fiona hebben het kinderzitje met hun liefdeskind even op de koffer van een auto neergezet. Die auto rijdt natuurlijk weg. Lachend kijkt het kindje de panikerende ouders tegemoet. Dom en Fiona zetten de achtervolging in met een Vespa: al rijdend zullen ze proberen het kind van de koffer van de wagen te redden, wat een hoogstaand staaltje acrobatisch surrealisme oplevert.

De realiteit is aanwezig in La Fée. Zo is er een groepje illegalen op zoek naar een beter leven. Maar de film speelt vooral in een droomwereld die baadt in een eind jaren 50 sfeer. Nostalgie ja, maar net zoals bij Tati is het tijdperk waarin de moderne consumptiemaatschappij ontstond ook geknipt om de mens te laten vechten met objecten. Deze strijd zorgt voor humor maar ook voor een zekere tristesse. Want hoe troostend dromen ook werken, het blijven dromen. Al zijn het dromen waar je vrolijk van wordt. Daarom wens ik jullie veel plezier met La Fée. En na de voorstelling met een glaasje vin rouge. Geniet ervan!

IVO DE KOCK

LA FÉE – LEZING GRONINGEN & AMSTERDAM 7 & 8 november 2011

Fee 9

 

Tekst kataloog:

Abel en Gordon waren al jaren een succesvol komisch duo toen ze in 2006 voor het eerst samenwerkten aan L’Iceberg. Hun nieuwste film, La fée, oogstte veel lof op het filmfestival van Cannes dit jaar. Deze dromerige sprookjeskomedie gaat over Dom, die nachtwaker is in een hotel in Le Havre. Op een rustige avond komt een vrouw blootsvoets binnenwandelen. Ze stelt zich voor als Fiona, de fee die zijn drie liefste wensen in vervulling kan laten gaan. Dom kan er maar twee verzinnen en wordt langzaam verliefd op de merkwaardige dame. Na vervulling van zijn tweede wens (een scooter) verdwijnt ze spoorloos. In zijn pogingen haar terug te vinden, beleeft Dom de vreemdste avonturen. Knap staaltje moderne slapstick in de traditie van de grote Franse filmkomieken.

Fee 10

Keuze van de kritiek:

La Fée van Dominique Abel, Fiona Gordon & Bruno Romy

Lang, lang geleden kreeg Simon Carmiggelt van de Franse komiek Jacques Tati te horen dat films gelukkig moeten maken: “Een verhaal moet iets hebben van… en Tati houdt zijn hoofd schuin en fluit even, als een vogeltje in het bos”. Dat hebben zijn erfgenamen Dominique Abel, Fiona Gordon en Bruno Romy goed begrepen. Het Belgisch-Canadees-Franse trio van L’Iceberg (2005), Rumba (2008) en nu La Fée (2011) laat zijn publiek telkens weer happy de bioscoop verlaten. Opgewekt en gelukkig, ook al verstrengelt het visuele sprookje dat ze net zagen humor en tragiek (lees: geluk en verdriet).

De verdienste van La Fée is dat het een in een dromerige retrosfeer badend amour fou-verhaal vol slapstick acrobatieën omtovert in een poëtische ode aan onvolmaaktheid. De charme van de heel erg fysieke burleske personages is hun onhandigheid, hun fragiliteit. Kortom, hun menselijkheid. De clown is kwetsbaar maar vindt kracht in zijn marginaliteit. Dat laat hem toe zowel de wetten van de zwaartekracht als de logica van de maatschappij uit te dagen. Voor de drie acteurs/regisseurs is het tonen van kwetsbaarheid een daad van verzet. Hun aan mimetheater en Tati’s cinema schatplichtige humor is helder en eenvoudig maar zegt ook iets over de realiteit. Op zo’n vrolijke manier dat we fluitend de zaal uitwandelen.

Ivo De Kock

Fee 11

 

Leave a comment